DE TOLLENBURG

Blz. 111

In de late middeleeuwen omvatte de parochie Rhenen een gebied dat ongeveer overeenkomt met de gemeenten Rhenen, Veenendaal, een gedeelte van Renswoude en daarnaast een gebied, dat thans ten zuiden van de rivier de Rijn ligt en dat bekend is als 'de Marsch'

De aardrijkskundige Beekman schreef over dit laatste gebied in 1932:

"De Rijnbandijk voor Kesteren en Lienden is slaper geworden door de daarvoor gelegen Marschdijk, die met den bandijk het polderdistrict van Marsch, Lede en Oudenwaard insluit. De oude dijk maakt hier n.l. een diepe bocht landwaarts in om een voormalige Rijnarm heen, die nu nog als een smal polderwatertje onder den naam Oude Rijn over is, op korten afstand van de buitenzijde van den bandijk Hierin komt dicht bij Lienden een andere oude Rijnkil uit, vroeger de Lede geheeten waaraan het huis ter Lede ligt. nu het watertje de Lei graaf, dat met een deel van den Ouden Rijn de grens vormt tusschen de gemeenten Kesteren en Lienden Het gedeelte van dit district tusschen den Ouden Rijn en de Lede heet de Lede en Oude Waard en dat buiten de Lede en den Ouden Rijn tot den Marschdijk de Marsch".

Er is dus een tijd geweest dat de hoofdarm van de Rijn niet ver van de Betuwse bandijk liep. terwijl Rhenen aan een onbelangrijke nevenarm of kil lag Na verloop van tijd is deze nevenarm hoofdarm geworden Deze verandering wordt door enige schriftelijke mededelingen gestaafd. Zo was in 1495 de vraag gerezen, of de geerfden van de Marsch al dan niet verplicht waren ruitergeld aan de hertog van Gelderland te betalen. Deze geerfden wezen er onder meer op, dat "In tijden voirleden die Rijnstroem voir Kesteren verby Lienden tot Verhuese (N.B. het gehucht Veerhusen aan de zuidzijde van de Rijn tegenover Remmerden) uutginck opten vurs. Rijn beneden de Schulenborch, onsen genedigen heren die biscop van Utrecht een tolhuys liggende had, soe die toil sijnre genaden was ende noch is, ende die plaitse noch den Tolberch hiet in der Mersche, do geboerdent, dat sich die stroem bij Huesden (d.i. Opheusden) versetten ende greep enen ganck verby Heymenberch, verby Renen. Doe saten die Marsch-nabueren aen die zutsyde van den Rijn, die te voeren aen die noertsyde saten, ende dat slot den Tollenberch wert affgebroken, die toll tot Renen gelacht".

Ook vinden we de verlegging van de hoofdstroom besproken In een proces, waarbij het ging over de vraag. of het veer bij Rhenen Utrechts, dan wel Gelders was.

Op 27.5.1554 was er een demonstratie op het terrein zelf, waarover de Commissarissen van de Hoven van Utrecht en Gelderland schreven in hun procesverbaal:

" vandaer (de Marschdîjk) syn wy neerwerts gegaen binnensdycks verbij 't huys ter Lee, gelegen besyenen der Marsche ende is ons aldaer ge(bleecken) by den voors. procureur-generael deur aengeven van Willem Lyster seeckere erff offte goet, In de Marsche gelegen, 't welck hy seyde genaempt te wesen Tollenborch, op welcke erff hy seyde dat ....seggen wilden In voorleden typen gestaen te hebben het tolhuys van Rhenen van den tol, toebehoorende de biscopen van Utrecht, ende thoenden ons een hoechte, daer hy seyde 't voors. tol huys gestaen te hebben, seggende datter noch onlangs van de fondamente van dyen stenen gehaelt waeren. Thoenden ons mede de voers. procureur deur aengeven als boven Lyster een zeeckere leechte, eensdeels bewassen met Liesen, gelegen tusschen 't voers. erff Tollenburch ende den bandyck van der Nederbetuwe, lopende langs denzelfden bandyck, welcke leechte hy seyde genaempt te wesen den Ouden Rijn ende seyde, dat deselfde leechte int middel ongeweerlick deurgraven mit willigen aen beyde syde bepoot, was 't gescheyt tusschen de Nederbetuwe ende de Marsche. Ende leyde ons langs de voers. leechte tot aen een slote, die op deselffde leechte respondeerende, ende vandaer tot aen een sluys, seggende. dat den Rijn daer al langs gelopen hadden, welcke sluys wy bevonden te gaen deur eenen dyck, nederwerts scheydende de Marschen van Gelderland".

De Rijn stroomde ter hoogte van Rhenen dus veel zuidelijker dan nu het geval is en maakte naar het zuiden een bocht en kwam ter hoogte van Remmerden weer uit waar deze nu nog stroomt. In later tijd heeft men gezorgd dat deze bocht werd afgesneden en ontstond na indijking de huidige Marsch polder. welke viel onder de jurisdictie van de stad Rhenen.

Het gebied boven de Lede, die in de middeleeuwen bevaarbaar was, betekende dus de scheiding tussen Utrecht en Gelderland; beneden de Lede lag het slot van de Van Lyndens het huis Ter Lede, terwijl de Tollenburg boven de Lede meer naar het westen lag op Rhenens grondgebied, vlakbij waar de Lede en de oude tak van de Rijn langs Kesteren en Lienden bij elkaar kwamen. Strategisch gelegen voor een watertol dus.

 

Blz. 112

Aan de andere kant van de Lede tegenover de Tollenburg moet nog een burcht, de Schuilenburg hebben gelegen. Zo werden in de 17e eeuw nog erfpachters van de laatste, bijvoorbeeld MARIA VAN BREDERODE CLOETINGH en haar man JOHAN GEORG REDLICH, 'heer en vrouwe vanSchuilenburgh' genoemd. Deze voormalige burcht stond dus net als huis Ter lede niet op Rhenens grondgebied.

De Tollenburg moet dus tot de Rhenense ridderhofsteden worden gerekend.

De Marsch. omspoeld door Rijnlopen of Rijnarmen was als territoir vanouds een twistappel geweest tussen de bisschop van Utrecht en de landsheer van Gelderland. Beiden meenden hierop aanspraken te kunnen laten gelden. Bij wijze van compromis werd de volgende toestand geschapen Beide landsheren stelden ieder een schout aan over de Marsch, de bisschop van Utrecht een sprekende schout. de hertog van Gelderland een zwijgende schout. Laatstgenoemde mocht niet het woord voeren in het gerecht.

Een uitzondering op deze regel maakte een akte van 13.1.1380, die aldus begint 'lc Johan de Jonge van mijn even lieven heren weghen sbisscops van utrecht ende shertogen van Ghelre, richter in de" Marssohe'.

Toch was de Gelderse schout meer dan een figurant, want hij deelde mee in de inkomsten van de jurisdictie

Naast het huis Ter Lede was de Tollenburg een belangrijke burcht in het Rhenense (Stichtse) deel van de Marsch. Ze was als een sterke burcht (castrum) door Guido van Henegouwen, over. 1317. gesticht. en had als doel de Geldersen ter plaatse in bedwang te houden. Zo huisde er vaak krijgsvolk, dat op een krachtdadige manier schatting vorderde. Wegens dolle geweldenarijen, waarmee die invordering vaak gepaard ging, gaat het verhaal dat ze ook wel in die tijd 'Dollenburg' werd genoemd.

Guido's opvolger Frederik van Zirik (1317-1322) had nogal wat schulden, knevelde en perste de onderhorigen uit en breidde zijn strooptochten ook richting Gelderland uit. Dit leidde ertoe dat de ingezetenen van Lienden, Kesteren, Ommeren enz., aangevoerd door Dirk van Lijnden. tegen hem opstonden en de Tollenburg in de as legden. De kerkvoogd zocht eerst hulp bij graaf Reinald 1 van Gelre. doch deze had zelf voldoende problemen met zijn zoon de jonge Reinald. De verwoesting van de burcht moet dus omstreeks 1318 zijn voorgevallen. Frederik riep toen de hulp in van graaf Willern van Holland, die de opstandelingen door Jan van Arkel te vuur en te zwaard liet bedwingen. Deze krachtige ridder brandschatte deze landstreek. Lienden moest zich verbinden om op eigen kosten de Tollenburg weer p te bouwen, en de veroorzaakte schade aan de slotvoogd Willem Kuser te vergoeden. Dit werd 22.1.1320 te Utrecht bepaald.

Diverse adellijke families hadden de Tollenburg in bezit of in erfpacht, met namen als Van Leefdael, van Brakel, de Bruyn, Vonck van Lienden, Klerck en Verschoor. Deze families worden hetzij in een ander hoofdstuk of in het boek 'Rhenense Geslachten" uitgebreid behandeld, zodat hier slechts nader ingegaan wordt op het geslacht VAN TILL, dat waarschijnlijk op de Tollenburg kwam via de familie VERSCHOOR (gehuwd met een BUDDINGH). In later tijd was de Tollenburg als ridderhofstad verdwenen en herinnert alleen nog de naam van een boerderij ter plaatse aan deze oude burcht

DE MARSCH. TOLLENBURG.

Een stuck lants houdende omtrent 29 margen, gelegen in die Mersch neven de stadt Renen over den Run. geheten Tallenborch, mit alle sinen toebehoren; voer een borchleen ter Horst ten Zuytphentschen rechte.

Als eerste leenman zien we vermeld:.

LODEWIJK VAN LIEFFDAEL, bij ruyling jegens den Bisschop van Utrecht, 28.7.1485.

Rutger. Johan, Roetof. Henrîc en Willam, knapen, zonen van RUTGHER VONKE, deden, volgens scheidsrechterlijke uitspraak van DlRC VAN LIENDEN, afstand van alle aanspraak op het huis te Dollenborch, dat zij met den weerd in bezit genomen hadden wegens wanbetaling door den Bisschop van de koopsom aan ROELOF VONKE hunnen grootvader, 26 Juli, 1357 (Catalogus Bisschoppelijk Archief Mo. 169, 1906).

Vervolgens idem 5.5.1497.

JOHAN VAN LEVENDAEL, ridder, na doode van LODEWIJK VAN LEVENDAEL, sijns vader 31.1.1507.

Idem 22.7.1518.

KATHERINE VAN BRAKEL, soe heer JOHAN VAN LEVENDAEL, ridder. des uutgegaen es, eodem' die.

CORNELIS VAN BRAKEL nae doode KATHARINE VAN BRAKEL, sinre moeder, 15.11.1520.

 

Blz. 113

De rechte helft van een stuk lands houdende omtrent 29 morgen gelegen in de Marsche beneffens de stad Rhenen over der Rijn, genaamd Tollenburg met allen sijnen toebehoren

DIRK VONK DIRCKSZ, na dode van DIRK VONK, zijnen vader, door aandeeling van de goederen van GEERTRUYT VAN BRAKEL, zijn moeder, 16.12.1588.

HENDRICK VONK. na dode van DIRK VONK, zijn vader, 7.4.1625.

DIRK VONK VAN LIENDEN, na dode van HENDRICK VONK VAN LIENDEN, zijn neef, 16.9.1630

HUYBERT VONK VAN LIENDEN, na dode van DIRK VONK VAN LIENDEN, zijn vader, 20.1.1658.

Idem, plegte van 4000 gld. ten behoeve van AELBERT VAN SOLINGEN, 4.5.1660.

BEREND ADOLPH VONK VAN LIENDEN, na dode van HUYBERT VONK VAN LIENDEN, zijn vader 27.1.1702.

Idem laat zijn huwelijksvoorwaarden, met MARIA EUGENIA VAN COUDENHOVEN FRAYTUR opgeregt approbeere. 23.2.1705.

Idem laat 't verband, staande in zijn testament, registreren, 26,8.1705.

MARIA EUGENIA VAN COUDENHOVE DE FRAITUR, tochtenaresse van BEREND ADOLPH VONK VAN LIENDEN. 22.6.1706.

DIRK CLERCO, lieutenant-collonel, door opdracht van MARIA EUGENIA VAN COUDENHOVEN, 13.12.1706.