Bodem

De gemeente Waalre is gelegen op het Brabants Massief. Dit wordt gekenmerkt door een geheel van in zuidoost-noordwest richting tektonische breuklijnen, die het massief in horsten en slenken verdeelt. De belangrijkste slenk is de Centrale Slenk, waarin ook de gemeente Waalre is gelegen. Aan de west kant wordt de Centrale Slenk begrensd door de Feldbissbreuk en aan de oostkant door de Peelrandbreuk.

In het vroege Pleistoceen wordt de geologie van het Brabants massief gedomineerd door de activiteiten van de Maas en de Rijn. Afhankelijk van het klimaat worden afwisselend grovere en fijnere sedimenten afgezet.

De voorkomende afzettingen zijn o.a. de Formatie van Tegelen, de Formatie van Kedichem en de Formatie van Sterksel.

De afzettingen van de Formatie van Eindhoven ontstaan gedurende de koude fasen van het Midden Pleistoceen ( Elsterien en Saalien). Deze formatie is voor wat betreft samenstelling nagenoeg hetzelfde als de laat Pleistocene afzettingen van de Formatie van Twente. Wanneer beide formaties op elkaar liggen ( dit is vaak het geval in Zuid-Nederland worden ze samen gevoegd tot de zogenaamde Nuenen groep. De dikte van de Formatie van Eindhoven bedraagt 10 tot 25 m.

De vroeg pleistocene afzettingen liggen op grote diepte en worden afgedekt door aan maximaal enkele meters dikke laag dekzand van de formatie van Twente.

Deze laatste afzettingen zijn bepalend voor de vorm van het holocene en huidige landschap en dateren uit de laatste fase van het Laat-Pleistoceen ( het Weichselien)

Deze zogenaamde dekzanden zijn het gevolg van de klimatologische omstandigheden gedurende de laatste ijstijd (het Weichselien). Belangrijk daarbij zijn het ontstaan van zandverstuivingen als gevolg van een tot grotere diepte permanent bevroren ondergrond met een in de zomer ontdooiende bovenlaag ( permafrost). Door het vrijwel ontbreken van vegetatie had de wind vrij spel.

De dekzanden zijn overwegend geel of lichtgrijs van kleur en kalkloos. Binnen dit dekzanden landschap dat een groot deel van het pleistocene Nederland bedekt komen ten gevolge van de toenmalige hoofdwindrichtingen lokaal van zuidwest naar noordoost lopende langgerekte zones voor, waarop in een belangrijkere mate dan elders dekzand accumulatie plaats vond.

Deze afzettingen vormden vaak een barrière voor de in deze gebieden stromende beken waardoor een stagnatie in de waterafvoer optrad en plaatselijk beekdalafzettingen werden gevormd.

Holocene afzettingen komen voor in de vorm van beekdalafzettingen (formatie van Stingraven) en stuifzanden ( de formatie van Kootwijk.) Deze stuifzanden zijn van lokale oorsprong en bestaan uit fijn zand. De stuifzanden zijn veelal gebonden aan het voorkomen van dekzanden. De oorsprong is vaak gelegen in de verwoesting van de vegetatie door de mens. Deze verwoesting werd veroorzaakt door een te intensief gebruik van de toch al onvruchtbare bodem voor landbouw en het steken van plaggen. Deze aantasting van de vruchtbare laag begon reeds in de Bronstijd en duurde tot de late middeleeuwen.

 

Geomorfologie

In grote delen van Noord-Brabant is patroon van langgerekte zuidwest - noordoost gerichte dekzandgordels herkenbaar. Deze bestaan uit dekzandruggen en dekzandwelvingen. De dekzandruggen zijn meestal duidelijk zichtbaar als afzonderlijke terreinvormen. Dekzandwelvingen zijn zwak welvende terreinen of complexen van kleinere dekzandruggen. De hoogte kan oplopen tot meer dan 1.50 m, maar over het algemeen zijn ze lager. Het dekzand vormt de top van dik pakket zanden. Naast deze reliëfrijkere gebieden zijn er echter ook gebieden waar het dekzand in de vorm van vlakten is afgezet.

Vooral de dekzandruggen en –welvingen die aan beekdalen grenzen zijn al vroeg in gebruik genomen als landbouwgrond. Zowel vanwege de goede afwatering als vanwege het feit dat de een dergelijke ligging gunstig was voor het toenmalige gemengde boerenbedrijf. De gronden in de beekdalen werden gebruikt als weiland en hooiland en de hoger gelegen gronden als akkergrond. Het gedurende eeuwen ophogen van het land met potstalmest heeft het reliëf nog extra versterkt. Deze esdekken accentueren vaak zowel de hoogte als de begrenzing van de dekzandruggen.

In het westen van de gemeente komt tussen de Dommel en het kerkdrop Waalre een dekzandrug voor (3K14) de rest van de gemeente bestaat uit gewelfde dekzand afzettingen (3L5) met in het zuidwesten, het noordwesten, het noordoosten en het zuidoosten dekzandvlakten (2M13). De gewelfde dekzandrug wordt doorsneden door de Tongelreep. Vanaf deze rug tussen de Dommel en de Tongelreep zijn een aantal afvloeiingsgebieden aanwezig (2R2) die de dekzandruggen doorsnijden. Midden tussen deze twee beken en op de hoger gelegen gronden ten oosten van de Tongelreep komen uitgebreide stuifzanden voor. Verder komen er langs de beide beken beekdalafzettingen voor (2R5).

geomorfologie_web.jpgvergroting klik op kaart

 

Bodemkunde

In het systeem van bodemclassificatie voor Nederland zijn vijf hoofdgroepen van gronden opgenomen, nl.:

Veengronden,  

Dit zijn gronden die grotendeels zijn samengesteld uit gedeeltelijk verkoolde plantenstoffen;

Podzolgronden,

Deze zijn veelal gekarakteriseerd door een askleurige uitspoelingslaag, gevolgd door een donkerbruin tot zwart gekleurde humus- en/of ijzerrijke inspoelingslaag;

 

Podzolgronden (Hn21,Hn23, Hd21)

8_podzolgrond.jpgTyperend voor podzolgronden zijn een uitgespoelde veelal askleurige lichte laag onder de bovenlaag en een donkerbruin tot zwart gekleurde humus- en/of ijzerrijke inspoelingslaag.

De humuspodzolgronden zoals deze vooral op de voormalige heidegronden binnen de gemeente Waalre voorkomen zijn ontstaan in arm moedermateriaal

Moderpodzolen. Hoewel ze niet worden beschreven op de bodemkaart komen ze tot veelvuldig voor onder de esdekken. Deze  zijn de restanten van de oorspronkelijke oppervlakte. Ze waren vaak al voor de vorming van het esdek in gebruik als landbouwgrond.

Brikgronden,  deze ontlenen hun naam aan een in de bodem voorkomende kleilaag die geschikt is om als grondstof voor baksteenfabricage te dienen;

Eerdgronden,  deze hebben een donkere, goed gemengde laag van organische stof en minerale delen;

Hierbij word weer een onderscheid gemaakt tussen Enkeerdgronden en Eerdgronden

Enkeerdgronden (zEZ21)

Bij de Nederlandse bodemclassificatie worden de gronden met een humushoudend dek van meer dan 50 cm enkeerdgronden genoemd. Is de deklaag dunner, dan worden ze veelal aangeduid naar de aard van het onderliggend bodemprofiel (loopodzolgrond, laarpodzolgrond, kamppodzolgrond).

De Hoge zwarte Enkeerdgronden liggen op de relatief hooggelegen gebieden binnen het dekzandgebied. Vooral in de nabijheid van de oude bewoningskernen. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de late Middeleeuwen op de pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest vanuit potstallen vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden, zoals heide, bossen en beekdalen. Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere gedeelten. En hebben zich later uitgebreid tot de lagere gedeelten. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Hun voorkomen valt veelal samen met de zogenaamde esdekken.

Deze esdekken  of ook wel oude landbouwgronden worden gekenmerkt door een laagsgewijze opbouw. De bovenste laag van 30 à 40 cm is de recente bouwvoor is donkerbruingrijs gekleurd. Daaronder bevind zich een lichter gekleurde bruingrijze laag, deze is gevormd door het opbrengen van de plaggenmest uit de potstallen. De kleur is afhankelijk van de plaats waar de plaggen zijn gestoken. De dikte is afhankelijk van de leeftijd. Voor een schatting van de leeftijd wordt gerekend met circa 1 cm per 10 jaar.

De laag die zich daar vaak maar niet altijd onder bevindt is het verploegde restant van de oude vruchtbare akkerbodem waarop voor het eerst landbouw is bedreven. Is een dergelijke laag met een vage afscheiding met de onderlinge dekzand laag aanwezig dan wijst dit bijna altijd op een gebruik dat terug gaat tot prehistorische tijden.

In de gemeente Waalre vallen ze nagenoeg samen met de oude landbouwgronden zoals deze voorkomen op de kadastrale minuitplans.

Eerdgronden (pZn23,pZn21)

Dit zijn op natuurlijke wijze ontstane eergronden en komen vooral voor in de lage natte gedeelten. Ze worden gekenmerkt door een goed ontwikkelde donkergekleurde bovengrond.

vaaggronden,  deze hebben nog geen duidelijke bodemontwikkeling van enige aard ondergaan, zoals bijv. duingronden of zeer recente zee- of rivierkleiafzettingen.

 

Vaaggronden(Zn21,Zn23, Zd21)

Vaaggronden zijn gronden zonder een duidelijke profielopbouw. Ze komen voor in lage terreinen met een zeer dunne of te weinig humushoudende bovengrond

 bodem web vergroting  klik op kaart

 

Hieronder is een schematische dwarsdoorsnede van Waalre weergegeven met daarin de verschillende grondsoorten.

profiel-waalre-aalst_web.jpg 

Esdekken zijn belangrijk omdat ze gevormd zijn door eeuwenlang gebruikt van de grond. En gelegen zijn op voor de landbouw gunstige gebieden. Onder deze laag bevinden zich vaak oude bewoningscomplexen

  

Kaart met esdekken volgens de Geologische Kaart

Op de kaart worden de esdekken weergegeven, zoals zij op de geologische kaart zijn weergegeven.

esdekken_web.jpgvergroting klik op kaart